Zweefvliegen. (Syrphidae) Zweefvliegen bootsen wespen, bijen of
hommels na, terwijl ze volkomen weerloos zijn. Ze hebben de zelfde felle
kleuren en soms de beharing van hommels. Ze hebben echter korte
antennes.
Ze hebben twee vleugels i.p.v. de vier, die hommels wespen en bijen hebben. Ze zijn daardoor
heel wendbaar en kunnen ook stil in de lucht hangen. Daar hebben ze ook
hun naam aan te danken. De achtervleugels zijn net als bij andere vliegen
gereduceerd tot haltertjes.
Het verschil met andere vliegen kun je zien door een ader (vera spuria),
die een eindje van de basis begint en voor de rand van de vleugel eindigt.
Cel 2 is gesloten. De gesloten cel 4 is langer of gelijk aan eenderde van
de vleugellengte.
De Antenneborstel is steeds zijdelings op het
derde antennelid ingeplant (en niet op het einde van de top)
Op het borststuk staan geen lange, dikke haren (borstels)
Bij veel soorten (niet alle) staan de ogen van het vrouwtje op de kop
een stukje uit elkaar, terwijl ze bij de mannetjes tegen elkaar aan staan.
Alle mannetjes hebben een asymmetrische knobbel op hun
achterlijfspunt, terwijl de vrouwtjes een spitse symmetrische
achterlijfspunt hebben.
Hier heb ik de zweefvliegen, die op wespen lijken
geplaatst. Het is niet steeds even duidelijk. Want ik wil de families bij elkaar
houden. Alles op één pagina is te veel. Vandaar deze indeling.
De zweefvliegen, die op bijen, hommels lijken en andere
zweefvliegen (bijvoorbeeld de donkere zweefvliegen) staan op zweefvliegen
1
Ik zie ze veel in de tuin. Ook bij minder goed weer zie je ze rondvliegen.
Vele vliegen in de herfst naar Zuid-Europa. Er zijn ook vrouwtjes, die
overwinteren. Al vroeg in het voorjaar komen die te voorschijn.
Later komen er ook zweefvliegen vanuit het zuiden. Het is in heel
Nederland een zeer algemene zweefvlieg.
De bandjes op ieder segment zijn karakteristiek. In de brede, oranje
banden zie je meestal een patroon van een "zwart snorretje". Verder is hij variabel. In de herfst vliegen er ook veel donkerder
pyjamavliegen. (Dat komt doordat het verpoppen langer duurt)
De larven eten bladluizen. Daar worden ook de eitjes gelegd.
Lengte: 8 tot 12 millimeter. Maart.- november.
Van de familie Episyrphus komt in Europa alleen deze soort voor.
Palearctisch, oriëntaals en Australisch.
Hier zijn de bandjes niet te zien. Zelfs geen
snorretje.
Larve zweefvlieg
Foto 7 - 3 - '09
Dit is een larve van een zweefvlieg. Ik vond er
die dag twee tussen de bladeren.
Er valt nog heel wat te ontdekken wat betreft de
larven van zweefvliegen. Heel misschien is het een larve van een Pyjamavlieg, Snorzweefvlieg(Episyrphus
balteatus). Maar dat is beslist niet zeker. Het is er een, die zich voedt
met bladluizen.
Een forse zwarte zweefvlieg met gele streepjesparen,
die niet tot de zijnaad komen. De punt van het achterlijf is geel. De
vleugels hebben een rozebruin getinte voorrand.
Hij lijkt op een wesp.
In veengebieden is hij soms talrijk, maar
hij komt ook daarbuiten voor. Zoals in mijn tuin.
Deleven net als die van bijv. Eristalis in het water.
Lengte: 14-18 mm.
Mei - oktober.
Pendelvliegen (Helophilus)
Larven zijn rattenstaartlarven. Ze leven in het water, vaak in rottend planten.
Een van de meest voorkomende zweefvliegen in mijn tuin.
Je vindt hem vooral bij water en moerassen.
Lengte: 11 tot 13 millimeter.
April - oktober.
Opvallend zijn de lengtestrepen.
Je hebt meer Helophilus soorten, die op deze vlieg lijken. Bijvoorbeeld
de Helophilus hybridus en H. trivittatus (Citroenzweefvlieg).
De gewone pendelvlieg heeft een zwarte middenstreep op het gezicht. Bij
de achterpoot is de dij voor 1/3 geel aan de top en de scheen voor
2/3 geel met een zwarte top. Een zwarte voortars.
Op de eerste twee
achterlijfsegmenten zijn gele oranjegele vlekken.
Bij dit
geslacht geldt het wel of niet raken van de ogen weer niet om het geslacht
te bepalen. bij de kleine foto kun je aan de achterlijfspunt te zien dan
het een mannetje is.
Een forse, wespachtige zweefvlieg met zwart-witte
lengtestrepen op de borststukrug. Hij is wat groter dan de Gewone
pendelvlieg (Helophilus pendulus).
Op de eerste twee
achterlijfsegmenten zijn citroengele vlekken. De vlekken daaronder zijn
meer wit.
Het gezicht heeft een gele middenstreep.
De vlieg leeft van de nectar van bloemen.
Lengte: 14 - 18 mm.
April - oktober.
Ook deze pendelvlieg is groter dan de Gewone
pendelvlieg (Helophilus pendulus).
Op de eerste twee
achterlijfsegmenten zijn gele vlekken.
Het gezicht heeft een zwarte middenstreep. Bij het mannetje is de
achterrand van de rugplaatjes geel. Bij het vrouwtje is er een zwarte
achterrand op de rugplaatjes (die lijkt meer op de gewone pendelvlieg) Van
de achterpoot is de dij en scheen voor een groot deel zwart.(Top dij is
geel, scheen 1/3 geel) Een zwarte voortars.
De vlieg leeft van de nectar van bloemen.
Lengte: 13 - 16 mm.
April - oktober.
Hij lijkt wat op de pendelvlieg (Helophilus). Hij is niet zo fel gekleurd
en kleiner.
De vlekken op het lijf zijn gebogen.
Het gezicht heeft geen middenstreep.
Lengte: 8 - 11 mm.
April - september.
Fopwespen (Chrysotoxum)
Stipfopwesp (Chrysotoxum
festivum) of Streepfopwesp (Chrysotoxum vernale) Genus: Chrysotoxum
De dijen zijn helaas niet helemaal te zien.
Fopwesp. Deze zweefvlieg heeft ook nog lange antennes, waardoor je je snel
vergist. Het is echter een rustige vlieger.
Bij de Stipfopwesp is de basis van de dijen zwart. Verder lijkt hij
sprekend op de Streepfopwesp. Op deze foto is dit verschil niet te zien.
Stipfopwesp 9 - 13 mm. April - Augustus Streepfopwesp 11 - 15 mm. April - September
Vrouwtje S. ribesii is het enige vrouwtje van dat geslacht met geheel
gele dijen. Het mannetje is lastiger te determineren.
Er zijn natuurlijk weer een aantal soorten, die er op lijken. Vooral
de Bosbandzwever en de Kleine Bandzwever.
De larven van alle drie leven van bladluizen.
Lengte: 9 tot 13 mm.
April - november.
larve Syrphus ribesii volgens Gerard Penards. 20-8-2011
Bosbandzwever, bosbandzweefvlieg (Syrphus torvus)
of Kleine Bandzwever, kleine bandzweefvlieg (Syrphus vitripennis)
Vrouwtje Genus: Syrphus
Dit vrouwtje lijkt precies op het vrouwtje Bessenbandzwever
(Syrphus ribesii) maar ze heeft donkere dijen. Syrphus torvus heeft behaarde ogen. Alleen is dat bij het vrouwtje
moeilijk van foto's te zien. Syrphus vitripennis heeft geen behaarde ogen.
Verder is er verschil in de kleur van hele kleine haartjes op dij 3.
(geel, zwart of geel en zwart) Maar om dat te zien heb je een microscoop
nodig of een heel goed fototoestel.
Lengte Syrphus torvus : 10 tot 13 mm. Maart - oktober.
Lengte Syrphus vitripennis : 8 tot 12 mm. Maart - november.
Bij dit vrouwtje kun je nog net de haartjes op de
ogen zien.
De banden zijn bij de bosbandzweefvlieg vaak wat smaller. Maar dat mag de soort niet bepalen.
Lengte: 10 tot 13 mm.
Maart - oktober.
Dit is het mannetje Bessenbandzwever,
bessenbandzweefvlieg
(Syrphus ribesii), Bosbandzwever, bosbandzweefvlieg (Syrphus torvus) of Kleine
Bandzwever, kleine bandzweefvlieg (Syrphus vitripennis)
De bandzweefvliegen (Syrphus) lijken op enkele
bandzweefvliegen (Epistrophe) die op zweefvliegen
pagina 1 staan.
De halfronde vlekken op de rug gaan over de
zijnaad. Het borststuk is dof. Bij het mannetje zijn de vlekken wat
smaller.
Over het gezicht loopt een zwarte streep.
Lengte 6 - 9 mm.
April - juni.
Verspreiding: Palearctisch.
De larven eten bladluizen.
Kommazwevers. Eupeodes
Grote kommazwever (Eupeodes luniger)
Genus: Eupeodes
Een algemene zweefvliegensoort in ons land.
Kenmerken: drie paar gele komma's op z'n achterlijf, die niet doorlopen
tot de zijnaad van z'n lichaam. Het vrouwtje heeft een omgekeerde y
op het voorhoofd. Zie onderste foto.
Ogen niet behaard.
In 2008 zag ik de eerste half april. Je kunt ze zien tot eind oktober.
De grote komma zwever heeft soms ook wel
bredere banden. De rug van de gele is meer groenglanzend. Soms zijn de
komma's met elkaar verbonden. Dan lijkt hij op een Bandzwever (Syrphus
Epistrophe) Hij is echter kleiner. Een glimmend voorhoofd. Ogen niet
behaard.
Terrasjeszwever
(Eupeodes corollae) lijkt er ook op. Maar daar lopen de komma's / banden
aan de zijkant door.
Een algemene zweefvliegensoort in ons land.
Kenmerken: drie paar gele komma's op z'n achterlijf, die doorlopen
tot de zijnaad van z'n lichaam.
Bij het vrouwtje is het voorhoofd boven zwart. De rest is geel.
Ogen niet
behaard.
Ik probeerde hem al een paar dagen zonder
succes goed op de foto te zetten. Toen mijn vrouw een hebe in een
pot wilde zetten, bleef er eentje in de lucht wachten tot ze klaar was en
was daarna niet meer bij de bloem weg te krijgen.
Hij lijkt wel wat op een kommazwever.
Zwart met witte, soms enigszins gele vlekken, die
scheef op het lichaam staan. Behaarde ogen.
Bij de gele halvemaanzwever staan ze recht.
Lengte: 10 - 15 mm.
April - oktober.
De Halvemaanzwever overwintert vaak als volwassen vlieg.
De lichtgroene larve eet bladluizen.
Het verschil met de Witte halvemaanzwever is, dat
de vlekken gelig (soms toch wittig) zijn en dat de vlekken recht op het
achterlijf liggen.
Hij lijkt ook op de kommazwever. De Gele Halvemaanvlieg heeft echter
behaarde ogen.
Het voorhoofd ziet er in zijaanzicht gezwollen uit.
Lengte: 10 - 15 mm.
Februari - November
De lichtgroene larve eet bladluizen.
Het gezicht heeft een brede
middenstreep. De achterlijfsvlekken gaan over de zijnaad. Ze lijken soms
op die van de gele halve maanvlieg. Lichte antennes. Behaarde ogen.
(moeilijk te zien op de foto's) De vleugels hebben een lange donkere
pterostigma.
Ze komen voor in bossen, maar ook in parken en (zoals hier) in tuinen
Lengte: 8 - 10 mm.
Maart - Augustus
De larve eet bladluizen.
Europa, Noord-Amerika
Een zwart zweefvliegje met gele schuine
vlekken. Verder herkenbaar aan de twee witte bestuivingsstreepjes voor op
de borststukrug.
Bossen en bosranden
Lengte: 8 - 10 mm.
April - oktober. Twee generaties.
De larve eet bladluizen.
Palearctisch (van Europa, Noord-Afrika tot in Japan)
Platvoetjes, Platycheirus
Platycheirus Genus: Platycheirus Deze groep zweefvliegen is te herkennen aan de voorpoot. De tarsus van
de voorpoten van deze soort is verbreed.
Platvoetje (Platycheirus scutatus complex)
Complex: Een aantal soorten van dezelfde familie.
P. scutatus, P. splendidus, P. aurolateralis,.....
Vanaf deze foto was niet het precieze soort vast
te stellen.
Hieronder een andere zweefvlieg uit het Platycheirus scutatus
complex.
Schaduwplatvoetje (Platycheirus
scutatus) Genus: Platycheirus
Dit zweefvliegje kon wel verder gedetermineerd worden.
Maart - november.
Lengte: 10 mm.
Micaplatvoetje
(Platycheirus albimanus of Platycheirus cyaneus)
Genus: Platycheirus
Ze komen voor bij bosranden en struwelen en
tuinen.
De larven schijnen zich met bladluizen te voeden
op laag groeiende planten en struiken.
De tekening op het achterlijf is micakleurig.
Mannetjes hebben een niet verbrede voorscheen en tars. Aan de top van
scheen één (bij de dij) zit een gekrulde borstel. (Niet te zien op deze
foto's.)
Het derde sprietlid is licht van onderen.
Een zeldzame soort!!
De larven voeden zich met bladluizen.
Lengte: 7 - 9 mm.
Maart - juni.
Foto 17-4-2011
Op deze foto is de gekrulde borstel te zien. Het uiteinde is wit door het
zonlicht.
Een slank achterlijf. Bij het mannetje iets
slanker. Het is een algemeen zweefvliegje in de tuin. De larve eet
bladluizen.
Je herkent hem aan de kleine gele driehoekjes op de rug.
Hoewel de Gewone driehoekszweefvlieg (Melanostoma mellinum) dat ook heeft. Daar is hij makkelijk
mee te verwarren.
Deze heeft
een wat korter achterlijf met minder langgerekte vlekken.
Lengte: 7 - 9 mm
April - november.
Op deze foto is het bestoven gezicht van het
mannetje goed te zien. De middenknobbel in het gezicht is niet
bestoven.
Het heeft een breed en plat achterlijf met oranje
vlekken. Verder is het een donkere zweefvlieg.
Ze zijn vooral te vinden aan de rand van bossen.
De larven schijnen rupsen van micromotten te
eten. (stippelmotten
of spinselmotten, yponomeutid en bladrollers, tortricid)
Lengte: 10 - 12 mm
Mei - november.
Elfjes
Elfjes zijn slanke zweefvliegen. Ze zijn vrij klein.
Er zijn twee genussen: Melangyna en Meliscaeva De larven leven van bladluizen.
Spits Elfje (Melangyna cincta)
Kenmerken: Op rugplaatje 2 hebben de driehoekige vlekken de punt naar de
binnenzijde. Een geel schildje met gele haren en gele antennes
Lengte: 8 - 10 mm.
Maart - september
Wilgenelfje (Melangyna lasiophthalma)
Kenmerken: Op het achterlijf zijn smalle witgele
tot oranje vlekken. Een donker glimmend borststuk. Bij de man is het
borststuk licht behaard. Een donkergele voorscheen.
Het wilgenelfje bezoekt de bloemen van vroegbloeiende struiken als wilg en
sleedoorn.
Lengte 8 - 10 mm.
Maart - juni.
Grote delen van Europa, Noord Amerika.
Foto 20-3-2011. De eerste voor mij nieuwe
zweefvlieg, die ik dit jaar in de tuin zag. Hij zat in het zonnetje op het
kozijn bij het raam.
Het wilgenelfje lijkt op het donkere variabele elfje hieronder. Alleen
gaan hier de vlekken over de zijnaad.
Variabel Elfje (Meliscaeva auricollis)
Kenmerken: De vlekken op rugplaatje 2 gaan niet
over de zijnaad. De onderkant van de vlekken lopen schuin. Het gele
schildje heeft zwarte haartjes.
Lengte 8 - 11 mm.
Maart - november.
Het vrouwtje overwintert
Foto's 27-3-2011. De donkere haartjes op
het schildje zijn hier beter te zien. De vlekken zijn minder duidelijk.
Stomp Elfje (Meliscaeva cinctella)
Kenmerken: De vierkante vlekken op rugplaatje 2 bereiken de zijnaad. Het
gele schildje heeft zwarte haartjes.
Lengte 8 - 11 mm.
April - september.
Ze overwinteren vermoedelijk als larve.
Langlijfje, Sphaerophoria
Het mannetje en vrouwtje verschillen. Het mannetje heeft een langer
slank lichaam, dat op een stokje lijkt. De meeste soorten zijn moeilijk of
niet vanaf een foto te determineren.
Man
Groot Langlijfje (Sphaerophoria
scripta) Genus:
Sphaerophoria
Bij het mannetje Groot Langlijfje
is het lijfje langer dan de vleugels. Bij andere soorten is dat niet
het geval. De zijn geel of geel oranje Het schildje (scutellum) is geel. Vrouwtjes
kun je niet determineren. Je krijgt alleen zekerheid als ze samen met een
mannetje zijn. Vrouwtje is niet helemaal zeker.
Bij het vrouwtje loop het lichaam
spits toe.
Kleur: zwart met fel gele banden. Fel geel schildje. Gele onderkant en
zijkant.
Er zijn verschillende soorten erg op elkaar lijkende langlijfjes.
Mannetje 10 mm lang, vrouwtje 8 mm.
April - oktober.
De larven eten bladluizen.
Bij dit mannetje is te zien, dat het lijfje langer
is dan de vleugels.
Soortencomplex batava (vermoedelijk)
Het Boslanglijfje ( batava) is de algemeenste uit dit
complex. De mannetje zijn alleen genitaal te determineren. De vrouwtjes
herken je alleen als ze met een mannetje zijn.
Bij dit langlijfje is het achterlijf even lang als de vleugels.
Het
is een klein langlijf zweefvliegje en komt vaak voor in gemengde bossen en op zandgrond.
April - september.
Bladlopers
Gewone rode bladloper (Xylota segnis)
Genus Xylota
Een zweefvlieg, die lijkt op een sluipwesp.
Oranje rood met zwart.
Hij houdt van de honingdauw, die bladluizen afscheiden. Je ziet ze vaak op
bladeren, waar het opzit. Op bloemen zie je minder vaak. Op de foto
linksboven zijn de vleugels gespreid. Dat zie je niet vaak.
Ze komen voor bij bosranden en struwelen.
De larve kun je o.a. in rottend hout vinden.
Lengte: 9 - 14 mm.
April - oktober.
Grote gouden bladloper (Xylota sylvarum)
Genus Xylota
Een forse vlieg. Het eind van het zwarte
achterlijf heeft goudgele haren. De gele schenen hebben een zwarte ring.
Dat is een verschil met de X. xanthocnema. Daar zijn de schenen geel.
Deze bladloper bleef wel een uur op ongeveer de
zelfde plek van blad naar blad te vliegen. Dat schijnen ze meer te doen.
Lengte 11 - 16 mm.
Mei - september
Larve in rottend hout. Palearctisch.
Foto's 3-7-2011
Bloedrode bladloper (Brachypalpoides
lentus) Genus Brachypalpoides
Een forse vlieg. De rode vlek op de rug valt net
als de zwarte poten op.
Lengte 11 - 14 mm.
April - juli
Loofbossen en zandgrond.
Larve in rottend hout.
Menuetzweefvlieg (Syritta pipiens)
Menuetzweefvlieg (Syritta pipiens). Genus
Syritta
Klein, slank zweefvliegje. Tijdens het
zweven kan hij zich schokkerig voortbewegen.
Je herkent hem makkelijk door de dikke achterdij
en de witte zijkanten van de borstukrug. Aan de onderkant van de dij zie
je een rij stekeltjes. Er is in Nederland maar één soort. Je kunt je dus
niet vergissen. In Europa zijn er drie soorten.
De larve leeft van afval op de bodem of in
composthopen.
Lengte: 7 - 9 mm.
April - oktober. Twee generaties (waarschijnlijk)
Inheems
in Eurazië en de Oriënt. Ingevoerd in Noord-Amerika en Mexico.
Moeraszweefvliegen (Tropidia)
Moeraszweefvlieg (Tropidia
scita) Genus: Tropidia
Een donker borststuk met zilveren
voorhoeken. Op het achterlijf grote oranje vlekken. Zwarte, dikke achter
dijen met aan de achterkant een driehoekig uitsteeksel (op deze foto's
niet te zien)
Dit is de enige soort in Nederland.
Vochtige tot natte biotopen. Ze vliegen laag en
bezoeken ook bloemen. Zoals op deze foto's te zien is. Dit is de eerste
moeraszweefvlieg, die ik in de tuin zie. Er is wel een vijver, maar verder
is er geen water in de buurt.
De larven leven in rottende plantenresten aan de oever. Maar er is
verder nog weinig over bekend.
Een klein zweefvliegje. Het achterlijf van
deze soort is ingesnoerd. (Vooral bij de vrouwtjes) en is knotsvormig. Er
zijn een paar zeldzamere soorten, die er op lijken.
Net als bij de menuetzweefvlieg hebben ze dikke achterdijen.
Lengte: 5 - 6 mm.
April - oktober.
Foto's 17-6-2011
Vliegende speld, Baccha
Vliegende Speld (Baccha elongata) Genus: Baccha
Tussen de struiken vloog dit hele dunne
zweefvliegje. Je vindt hem meestal op schaduwrijke, vochtige
plaatsen. Het heeft een knotsvormig
achterlijf. De steel van het achterlijf is heel smal.
Hij heeft dus de vorm van een sluipwesp.
Hij is moeilijk te zien, omdat hij zo dun is en
dan ook nog vaak in de schaduw vliegt.
Lengte: 7 - 11 mm.
April - november.
De larve eet bladluizen.
Citroenzweefvliegen, Xanthogramma
Niet uit de tuin, maar foto's uit
Normandië!! Het is een algemene zweefvlieg in delen van Nederland. Niet
in de Noordelijke provincies. Bij Bergen (N.H.) zijn ze helaas nog niet
gezien.
Gewone citroenzweefvlieg (Xanthogramma pedissequum) Genus
Citroenzweefvliegen (Xanthogramma)
Een zwarte zweefvlieg met citroen gele vlekken en
poten. De zijkanten van het borststuk hebben een gele streep. De
achterpoten zijn donkerder. Lengte 10 - 12 mm.
Mei - september
De larve leeft in nesten van sommige soorten mieren. De mieren laten de
larve met rust. Ze voeden zich met wortelluizen.