Zweefvliegen. (Syrphidae) Zweefvliegen bootsen wespen, bijen of
hommels na, terwijl ze volkomen weerloos zijn. Ze hebben de zelfde felle
kleuren en soms de beharing van hommels. Ze hebben echter korte
antennes.
Ze hebben twee vleugels i.p.v. de vier, die hommels wespen en bijen hebben. Ze zijn daardoor
heel wendbaar en kunnen ook stil in de lucht hangen. Daar hebben ze ook
hun naam aan te danken. De achtervleugels zijn net als bij andere vliegen
gereduceerd tot haltertjes.
Het verschil met andere vliegen kun je zien door een ader (vera spuria),
die een eindje van de basis begint en voor de rand van de vleugel eindigt.
Cel 2 is gesloten. De gesloten cel 4 is langer of gelijk aan eenderde van
de vleugellengte.
De Antenneborstel is steeds zijdelings op het
derde antennelid ingeplant (en niet op het einde van de top)
Op het borststuk staan geen lange, dikke haren (borstels)
Vleugel van een Variabel
Elfje (Meliscaeva auricollis)
Antenne van een Stadsreus (Volucella zonaria)
Antenne:
1: Derde antennelid (de andere twee zijn op deze foto niet te zien.
2: Antenneborstel
Bij veel soorten (niet alle) staan de ogen van het vrouwtje op de kop
een stukje uit elkaar, terwijl ze bij de mannetjes tegen elkaar aan staan.
Alle mannetjes hebben een asymmetrische knobbel op hun
achterlijfspunt, terwijl de vrouwtjes een spitse symmetrische
achterlijfspunt hebben.
Uitzonderingen:
Geen vena spuria: Eristalinus sepulchralis en Psilota anthracina.
Antenneborstel op het einde: Geslachten Callicera en Ceriana
Toch borstels: Geslacht Ferdinandea. Minder opvallend bij de geslachten
Volucella, Cheilosia, Brachyopa en Chamaesyrphus.
(Informatie
uit: Zweefvliegtabel van Aat Barendregt)
De zweefvliegen, die meer op wespen lijken staan op zweefvliegen
2
De rattenstaartlarve (vanwege de lange en dunne
telescopische adembuis) van Eristalis en Myathropa is te vinden in vijvers, sloten of tijdelijke
poeltjes. Ademhaling gebeurt door een adembuis, waardoor ze in vervuild
water kunnen leven.
Voedsel: Rottend organisch materiaal. In het voorjaar kruipt de larve op
het droge om daar te verpoppen.
Bijvliegen
Kegelbijvlieg (Eristalis
pertinax)
De kegelbijvlieg lijkt op de blinde bij maar mist
de rijen haren op de ogen. Verder zijn de tarsen (onderste deel van een
poot) geel. Het achterlijf van mannetjes is enigszins kegelvormig.
Eristalis leeft van nektar en stuifmeel.
Lengte 11 - 15 mm.
Januari - december.
De rattenstaartlarve (vanwege de lange en dunne
telescopische adembuis)
Blinde Bij (Eristalis tenax)
Blinde bij, omdat het geen echte bij is, maar dat geldt natuurlijk ook
voor de andere soorten. De blinde bij heeft twee verticale strepen op de ogen (eigenlijk haarbanden).
Als hij vliegt laat hij de achterpoten naar beneden hangen. De
volwassen vrouwtjes overwinteren.
Hij lijkt op de Puntbijvlieg maar die heeft
heldere vleugels.
De duidelijke gele ringen op het achterlijf, de dooiergele vlekken en het
donkere bandje op de vleugels zijn kenmerken van de bosbijvlieg.
April - oktober
Hij wordt vooral in de buurt van bossen gevonden.
De larven leven in het water.
Kleine bijvlieg (Eristalis
arbustorum) 9-11mm, maart-okt. (Rechter foto) Hij lijkt op een Kustbijvlieg
(Eristalis abusiva).
Het gezicht is geheel wit behaard. De Kleine Bijvlieg heeft een langbehaarde antenneborstel. De Kustbijvlieg heeft vrijwel kale
antenneborstel. Daarnaast is bij de Kleine Bijvlieg de top van de
middenscheen over een kwart diepzwart, bij de Kustbijvlieg is dat minder
dan een vijfde en niet zo zwart. Maar dat is hier niet te zien.
Kleine bijvlieg (Eristalis arbustorum) of Kustbijvlieg
(Eristalis abusiva).
Puntbijvlieg (Eristalis
interrupta = Eristalis nemorum)
Bij de Puntbijvlieg hangt het mannetje vaak boven het vrouwtje.
De puntbijvlieg heeft een kale zwarte middenstreep op het gezicht. Hij
heeft een zeer kleine pterostigma in de vleugel dat vierkant of zelfs
breder dan lang is. De vleugels zijn helder. De gele zijvlekken kunnen bij
het vrouwtje ontbreken. De Puntbijvlieg lijkt veel op de Kleine Bijvlieg.
Lengte: 10 - 12 mm.
April - oktober.
Bandzwevers (Epistrophe)
Enkele bandzwever (Epistrophe
eligans)
Het is een voorjaarszweefvlieg.
De eerste gele band (soms gescheiden) is breder dan de volgende gele band
(kan ook onderbroken zijn) Soms is er ook een derde band.
Een koperkleurig borststuk.
Ze komen voor bij bosranden en struwelen.
Bij mij zit hij graag te zonnen op de bladeren van de bruidsbloem (Deutzia).
Het verschil in banden is op de foto's goed te
zien. Ze vallen mij op door de prachtige glans.
Lengte: 9 - 11 mm.
April - juni.
De larven eten bladluizen.
Brede bandzwever (Epistrophe
flava)
Een grotere soort dan de enkele bandzweverr. De
brede banden zijn geel oranje. Het borststuk is wat doffer. Maar verder is
het ook zo'n prachtig glanzende vlieg.
Bij het mannetje zijn de banden met een golfje aan de onderkant. Zie de
laatste foto's.
Hij is minder algemeen.
In april 2009 voor het eerst gezien in de tuin.
Lengte: 11 - 13 mm.
April - juni.
De larven eten bladluizen.
De enige soort in het noorden van Nederland met
zwarte antennen.
De dijen zijn aan het begin donker. Op het schildje (scutellum) zitten
donkere haren. Op de bovenste foto links is dat te zien.
Het borststuk is dof. Vergelijk maar eens met dat van de E. eligans.
Lengte: 10 - 13 mm.
Mei - september.
De larven eten bladluizen.
Weidevlekoog
Weidevlekoog (Eristalinus
sepulchralis)
De ogen vallen op bij deze vlieg. Ze zijn geel
wit met donkere vlekjes. In het midden is het achterlijf dof. Verder is
het glimmend.
De achterpoten zijn gekromd.
Het is een algemene vlieg. Hij heeft een voorkeur voor vochtige gebieden.
In april 2009 zag ik hem voor het eerst in de tuin.
In Nederland is er nog een familielid. De
kustvlekoog. (Eristalinus aeneus) Die is
geheel glimmend en mist de duidelijke lengtestrepen op het borststuk.
Er zijn buiten Nederland veel meer soorten.
Lengte: 9 - 11 mm.
April - september.
Doodshoofdzweefvlieg
Doodshoofdzweefvlieg (Myathropa
florea)
Hij lijkt op een honingbij.
Met enige fantasie herken je in de donkere tekening op de borststukrug een
doodskop.
Het is een stevige , grote zweefvlieg.
Lengte: 10-14 mm.
April - oktober.
Je vindt hem bij bosranden en bloemen. Het
voedsel bestaat uit nectar en stuifmeel.
De rattenstaartlarve (vanwege de lange en dunne
telescopische adembuis) is te vinden in vijvers, sloten of tijdelijke
poeltjes.
Didea
Bosdidea (Didea fasciata)
Een vrij brede zweefvlieg. Daarom vind ik hem toch wat meer op een bij dan
op een wesp lijken.
De twee bovenste vlekken staan schuin. Het gezicht is geel.
Het knopje van het haltertje is geel.
Ze komen voor in gemengde bossen.
Lengte 10 -13 mm
April - oktober
De larven eten bladluizen.
Onder: Bij deze bosdidea zijn de vlekken aan de onderkant minder gebogen.
Melkzweefvlieg
Niet in de tuin, maar in het Lake District in
Engeland!!! In Nederland komt hij in Zuid-Limburg voor. Ook op andere
plaatsen is hij gevonden, maar hij wordt steeds zeldzamer.
Meestal zie je ze net als hier op witte schermbloemen, waar ze steeds heen
en weer lopen. Daardoor waren ze lastig te fotograferen. De eitjes worden
daar ook gelegd.
Kenmerken: Brede witte vlekken op rugplaatje 2, daarna 2 smalle. Een
opvallend geel schildje.
Op vakantie laat ik de vliegjes meestal met rust. Maar deze vielen zo op,
dat ik het niet kon laten.
Ze komen vooral voor langs bosranden bij loofbossen..
Lengte 11 -13 mm
Juni - september
De larven eten bladluizen.
Hommelachtige vliegen
Grote Narcisvlieg (Merodon equestris)
Alsje niet goed kijkt verwar je hem met een hommel. De beharing kent
veel kleurvariaties. Hij heeft zwarte
krachtige poten. Hij lijkt op de
hommelzwever (Volucella bombylans)
en de Hommelbijzwever (Eristalis intricaria)
Lengte: 12 - 14 mm.
April - juli.
De larven leven in bloembollen. Weer andere kleurvariaties
Witte reus of Ivoorzweefvlieg (Volucella
pellucens)
Het is een grote breedgebouwde zweefvlieg. Ik
vind hem minder op een hommel lijken dan bijvoorbeeld een grote
narcisvlieg. Je herkent hem aan het achterlijf met een witte band en een
zwarte achterkant. Het borststuk is zwart met zwarte haren.
Hij komt vooral voor in en in de buurt van bossen.
Hij leeft van nectar en stuifmeel.
Lengte: 12 - 18 mm.
Mei - september.
Het schijnt, dat het vrouwtje de eitjes legt in
het ondergrondse nest van sommige sociale wespensoorten. De larve eet dan
allerlei afval in het nest.
Familie van de Hoornaarzweefvlieg
(Volucella zonaria)
Stadsreus of Hoornaarzweefvlieg (Volucella zonaria)
De hoornaarzweefvlieg heb ik niet in grote aantallen gezien. Maar als
er een in je tuin is, valt hij wel op. Hij is groter dan de andere
zweefvliegen. Het is een zomergast. Een trek-zweefvlieg. Hoewel ik ook
ergens las, dat hij zich hier ook schijnt voort te planten. De larven
groeien op in een wespennest, waar ze van o.a dode wespenlarven
leven.
Hij eet een nectar en stuifmeel.
Lengte: 18 - 22 mm.
Juni - oktober.
Familie van de Ivoorzweefvlieg
(Volucella pellucens)
Volucella zonaria op de tafel augustus 2008.
Juni 2009: man
Hommelbijvlieg (Eristalis
intricaria)
Het is een Eristalis, maar lijkt meer op een een
hommel. De poten zijn zwart met witte stukken (knie, tars). Het
schildje is lichter. De mannetjes zijn meestal rossig behaard. De vrouwtjes
zijn voornamelijk zwart met een witte achterlijfspunt.
De larve is wel weer een rattestaartlarve.
Ze schijnen er al vroeg te zijn. (maart -
september) Maar ik zag de eerste eind juli.
Lengte: 11-14 mm
Maart - september.
Andere zweefvliegen.
Snuitvlieg
Gewone Snuitvlieg (Rhingia campestris)
De Snuitvlieg hoort tot de zweefvliegen en is makkelijk te determineren
met zijn snuit. Ik had echter niet door, dat hij tot de zweefvliegen
hoorde. En dan is het wat lastiger.
De larven leven in mest. Vooral koeien
mest. Die zijn niet in de buurt van mijn tuin. Toch zie ik ze regelmatig
in de tuin.
Lengte: 7 tot 11 millimeter.
April - oktober.
Gitjes
Bosgitje (Cheilosia variabilis)
Een algemene soort op
de zandgronden Hij is te vinden op zonnige plekjes langs het bos. Bij mij
hier op een struik.
Een groot gitje met
zwarte poten en antennen.
De larven leven in
helmkruid.
Lengte: 9 -12 mm.
April - Augustus.
vrouwtje
Vetplantgitje (Cheilosia
semifasciata)
Ik dacht eerst dat het een gewoon vliegje
was.Maar aan de manier van vliegen is hij wel als zweefvlieg te herkennen.
Hij heeft wat grijzige vlekken op het achterlijf
De larve is een bladmineerder.
De andere gitjes zijn dat niet. Het schijnt een bladmineerder te zijn van
Navelkruid (Umbilicus rupestris) en Hemelsleutel (Sedum Telephium)
Lengte: 8 - 10 mm.
Maart - mei.
Kruiskruidgitje Cheilosia
bergenstammi) De ogen van dit gitje zijn licht behaard. terwijl het gezicht
onbehaard is.
Behaard met goudkleurige haartjes. Maar dat is alleen te zien op een sterk
vergrote foto.
De larve is net als van een vetplantgitje een mineerder. Maar dan in de
steel en wortels van jakobskruiskruid.
Wolwassen gitjes zijn vaak in de buurt van
kruiskruid te vinden.
Lengte: 8 - 10 mm.
April - september.
Paddenstoelgitje (Cheilosia scutellata)
Geelachtig
behaard, ogen onbehaard. Poten voor een deel geel. Brede middenknobbel.
Bij het vrouwtje is het schildje geel langs de achterrand.
Open bossen, meestal zandgrond.
Larve in paddenstoelen. Met name boleten.
Lengte 7 - 10 mm.
Mei - september
Vrouwtje
Kervelgitje (Cheilosia
pagana) Het vrouwtje is goed te herkennen aan het grote oranje derde
antennelid. Het mannetje is minder makkelijk te herkennen. In het voorjaar
is het mannetje vaak groter en lichter dan in de zomer.
De larven leven in fluitekruid, engelwortel en gewone berenklauw. In door
schimmels aangetaste rottende wortels.
Lengte: 5 - 9 mm.
Maart - september. twee generaties
Heel Europa en Noord-Amerika
Platbekjes
Grofgestippeld Platbekje (Pipiza
noctiluca)
Een zwart achterlijf met twee gele vlekken.
Heldere vleugels met een vage vlek. Zoals de naam al aangeeft hebben ze
een plat gezicht.
Lengte: 6 - 10 mm.
April - september
De
larven schijnen luizen te eten.
Platbekje spec (Heringia spec)
Heringia is een familie, die bestaat uit kleine
zwarte zweefvliegjes. Vrouwtjes van deze familie zijn bijna niet te
determineren. Maar ook bij mannetjes valt het niet mee van een foto.
Hier kom je ook niet verder dan Heringia spec. En
zelfs dat is niet helemaal zeker.
Het gezicht is zonder middenknobbel en mondrand.
Je ziet de meeste soorten vaak op bladeren.
Lengte: 5 - 8 mm.
De
larven eten bladluizen.
Doflijfjes
Weidedoflijfje (Melanogaster hirtella)
Zoals je ziet een heel klein zwart zweefvliegje.
Op deze foto zitten ze op een bloem van een
schijnpapaver (Meconopsis cambrica). Het
weidedoflijfje is eigenlijk (net zoals het weidegitje (Cheilosia
albitarsis)) een echte boterbloemsoort.
Lengte: 6 - 8 mm.
April - juli.
Bollenzwevers
Knobbelbollenzwever (Eumerus tuberculatus)
Ook een klein zweefvliegje. Het is een zwartgroen
en heeft witte markeringen op de buik.
"knobbel" door een een uitsteeksel aan
het begin van de dij. Zie detailfoto.
De larve eten bollen van uien, irissen, hyacinten en
narcissen.
Lengte: 5 - 6 mm.
April - september.
Bollenzwever spec. (Eumerus
spec)
Meestal lukt het niet om ze vanaf de foto te determineren. Bij deze
bollenzwevers blijft het helaas bij spec.